nieuws

31 mei 2001, 00:12

Groningse PvdA Statenleden: ‘Waterschappen niet democratisch’

Twee Statenleden van de PvdA in Groningen vinden dat de Waterschappen in Nederland niet democratisch genoeg zijn. Zij stellen dat in een kritisch betoog over het waterschap geschreven door de PvdA Statenleden Henk Bakker en Léon Boer. Dit artikel verschijnt in het eerstvolgend nummer van Lokaal Bestuur, een landelijk blad voor PvdA bestuurders. De GIC publiceert de tekst integraal.

Dit katern wordt mede mogelijk gemaakt door:

‘De waterschappen in ons land worden meestal bejubeld als de oervorm van de Nederlandse democratie. Gezien de recente veranderingen en de positie van de waterschappen hebben wij grote twijfels of de betiteling democratisch, in moderne zin, voor de waterschappen wel van toepassing is. De waterschappen hebben zich ontwikkeld tot bijna autonome organen die op velerlei terrein een stevige vinger in de pap hebben. Een positie die zich vrijwel aan een algehele democratische controle onttrekt. In dit najaar zal het kabinet zijn standpunt over de waterschappen op hoofdlijnen aan de Tweede Kamer voorleggen. Dit zou kunnen leiden tot wijzigingen in de Wet op de Waterschappen. Wij vinden dat de PvdA de komende tijd een fundamentele discussie aan moet durven gaan over de structuur van het waterschap.
In de afgelopen decennia heeft zich met betrekking tot de waterschappen een enorm proces van concentratie en schaalvergroting voltrokken. Zo is in de afgelopen vijftig jaar het aantal waterschappen verminderd van ruim 3000 in 1950 tot 57 op dit moment. In een provincie als Groningen resteren nog slechts twee waterschappen, namelijk de waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en AA’s, waarvan het laatste, dat ook een groot deel van Drenthe bestrijkt, qua omvang zelfs het grootste in het land is. Waterschappen hebben hierdoor een gebiedsomvang verkregen die groter is dan menige provincie. Ook in bestuurlijke zin is het waterschap in toenemende mate betrokken bij een groot aantal beleidsonderwerpen als het integraal waterbeheer, plattelandsbeleid en overige ruimtelijke ordeningsvraagstukken. Doordat de taken van het waterschap steeds integraler worden vormgegeven komt het daarmee steeds meer op het beleidsterrein van de provincie. Het zijn immers de provincies en gemeenten die primair taken op het gebied van de ruimtelijke ordening uitoefenen en in samenhang hiermee de waterstaatszorg behartigen. In tegenstelling tot de provincie is echter bij het waterschap de democratische controle op het beleid niet sterk.
De democratie van een waterschap lijkt verdacht veel op het censuskiesrecht zoals dat vroeger voor de Tweede Kamer heeft gegolden en waar de sociaal-democratie altijd fel tegen heeft geageerd. De Waterschapswet kent op basis van de trits ‘belang, betaling, zeggenschap’ gewicht toe aan diegene die een waterschap verkiest. Er staat bij voorbaat al vast hoeveel zetels de ingezetenen krijgen, hoeveel zetels de categorie gebouwd en hoeveel zetels de categorie ongebouwd. Door het toepassen van het principe wie het meeste betaalt, bepaalt ook het meeste gaan agrarische/bedrijfsbelangen overheersen. Vervolgens beslist het aldus verkozen waterschapsbestuur wel over de waterschapsheffing van alle ingezetenen, waarbij de provincie uitsluitend de bevoegdheid tot goed dan wel afkeuring rest. lasten De voorstellen die nu circuleren over een andere wijze van heffen van de waterschapslasten komen neer op een verschuiving van de lasten van de categorie ongebouwd naar de categorie gebouwd. Met als consequentie dat de agrariërs behoorlijk minder gaan betalen en de modale burger wordt geconfronteerd met behoorlijke kostenstijgingen. De Unie van Waterschappen verdedigt deze verschuiving door te wijzen op een verbreding van de taken van de waterschappen. Daar staat echter tegenover dat de waterschappen in essentie blijven bestaan uit een oververtegenwoordiging van belangengroepen. Met andere woorden de modale burger is het kind van de rekening, maar heeft in het waterschapsbestuur relatief minder in de melk te brokkelen dan de agrariërs en de ondernemers. Wij vinden dat vanuit sociaal-democratisch perspectief niet wenselijk. Het is deze situatie die om een fundamentele herziening vraagt van de relaties tussen de overheden en de waterschappen anderzijds. legitimering Het toekennen van overheidsmacht aan steeds grotere waterschappen vraagt ons inziens om een betere externe democratische legitimering. Het invoeren van een lijstenstelsel zou slechts ten dele het probleem van de democratische legitimering oplossen. Een overgang naar een representatief systeem, inclusief een lijstenstelsel, zou betekenen dat voortaan politieke partijen aan de verkiezingen kunnen deelnemen. Er ontstaat dan een democratische legitimering die in essentie overeenkomt met het provinciaal bestuursmodel. Wij vinden het dan ook zuiverder om verantwoordelijkheid in z’n geheel bij de provincie neer te leggen. Op deze wijze ontstaat duidelijkheid in posities, de provincie bestuurt en bepaalt het beleid en het waterschap geeft vervolgens uitvoering aan dit beleid. Het waterschap wordt op deze wijze dè uitvoeringsorganisatie die het behoort te zijn, en wel een beleidsvoorbereidend- en uitvoerend orgaan dat op democratische wijze wordt gecontroleerd. corporatisme Het is duidelijk dat deze stellingname fundamenteel afwijkt van het huidige kiesstelsel. Wil echter recht gedaan worden aan de beginselen van algemene democratie, dan is een dergelijke visie onvermijdelijk. Het IPO daarentegen pleit voor het toekennen van zogenoemde “kwaliteitszetels” aan belangengroepen, zoals natuur en landbouw. Ook de Unie van Waterschappen staat een beperkt lijstenstelsel voor waarbij niet direct aan politieke partijen wordt gedacht, maar veeleer aan belangengroeperingen zoals watersport, milieubewegingen, visserij, e.d. Dergelijke ‘corporatistische’ vormen kunnen wij niet ondersteunen. Hier zou immers opnieuw de situatie worden gecreëerd dat de bezetting van deze zetels zich onttrekt aan de democratische controle. Wij bestrijden dan ook de gedachte dat de belangen van specifieke belangengroepen, zoals agrarische en overig bedrijfsleven onvoldoende gewaarborgd zouden zijn bij het volledig vrij laten van het lijstenstelsel. Het gaat uiteindelijk om de zuiverheid van de democratische legitimering van overheidstaken van algemeen belang. Hierbij past dan ook geen afbouw in een geleidelijk tempo, maar een van meet af aan duidelijke inzet om te komen tot een vernieuwd waterschapsbestuur. fundamentele verandering Er is weliswaar een breed draagvlak, inclusief de Unie van Waterschappen, voor een verandering van de waterschappen. Maar de bepleitte veranderingen zijn slechts gradueel en doorbreken niet de trits ‘betaling, belang, zeggenschap’. Het waterschap blijft daarmee een belangendemocratie. De discussie over de structuur van de waterschappen wordt angstvallig vermeden. Wij vinden dat een gemis en vinden dat de PvdA deze handschoen moet oprapen en ook op landelijk niveau een discussie over de taken en verantwoordelijkheden moet durven entameren. Wij kiezen om te beginnen voor een heldere lijn: de algemene beleidstaken, inclusief het financieringsstelsel worden de verantwoordelijkheid van de provincie; het waterschap wordt de uitvoeringsorganisatie van taken op het gebied van de waterhuishouding. Zo kan op vernieuwende, rechtvaardige en vooral democratische wijze vorm gegeven worden aan integraal waterbeheer in de 21e eeuw.' Henk Bakker en Leon Boer