Nieuws

"Donar zou het best gedijen in nieuwe topaccommodatie in Stationsgebied"(Opinie)

Het is al weer acht jaar geleden, in 2018, dat basketbalstad Groningen een landstitel kon vieren. Mede door een faillissement is Donar in een jarenlange depressie terecht gekomen. De club is weer aardig opgekrabbeld en begint vrijdag waarschijnlijk aan de ultieme strijd om het kampioenschap van Nederland 2026. De eerste horde is ZZ Leiden. Maar van een zorgeloze toekomst is (nog) geen sprake. Met name in de accommodatiesfeer doemen er steeds meer problemen op.


Leestijd: 6 minuten

MartiniPlaza is bezig haar koers te verleggen naar andere prioriteiten, zoals beurzen en paardensport. Dat begint te knellen voor Donar. En een nieuwe behuizing is nog ver weg. Dick Heuvelman, voormalig sportredacteur van het Nieuwsblad van het Noorden, zet de gang van zaken neer in retrospectief.  

Ooit, toen de indoorsport in de prille na-oorlogse jaren een grote vlucht nam, waren de Korenbeurs op de kop van Vismarkt en de groenteveiling aan de Peizerweg topsportlocaties voor de Groninger zaalclubs. In dit geval de volleyballers van Oranje Nassau en de handballers en -sters van Olympia en Vlugheid & Kracht. Dat waren destijds de representanten van Groningen op de  hoogste landelijke podia.

Op beide locaties zat het geregeld tjokvol, maar was het vooral behelpen. Handballers speelden op kille stoeptegels die bij winterdagen ook nogal eens spekglad konden worden en de volleyballers belandden regelmatig in het publiek dat pal tegen de lijnen stond gedrukt. Om van het gebrek aan fatsoenlijke sanitaire voorzieningen maar te zwijgen.

Het mocht de pret niet drukken, want de overlevenden uit die tijd mogen er nog graag met weemoed over praten. Niettemin klonken er ook stemmen op richting de politiek, of het niet eens tijd werd voor een stad als Groningen voor een eigentijdse sporthal. En dan niet zo’n standaard Pellikaanhal, vernoemd naar een Tilburgse oud-voetbalinternational die ze fabriceerde. Henk Pellikaan had er goede handel aan. Voor zegge en schrijve 100.000 gulden zette hij ze overal in het land neer. Ook in Groningen, in de wijk De Wijert.

Maar de stadse sportliefhebbers vonden dat de tijd rijp was voor een heuse sportarena. Die kwam er pas in 1973, de Evenementenhal, een onderdeel van het enkele jaren geopende Martinihalcomplex. In jawel, die E-hal werd qua uitstaling een regelrechte voltreffer. Een steiloplopende tribune met rugleuningstoeltjes aan de ene kant en een kleine houten tribune er tegenover die minder gemakkelijk zat. Verder nog aan één van de kopse kanten een balkon, waarop het ook prettig toeven was.

Kortom, een juweeltje voor liefst 2800 m/v. Die kwamen er regelmatig ook, met name voor Donar. De studentenclub was dat jaar via een promotie naar de eredivisie op de professionele toer gegaan en had in Nationale Nederlanden een dermate royale sponsor had verworven die er mede voor zorgde dat de huur voor het nieuwe sportpaleis kon worden betaald. De kost ging in deze voor de baat uit, want binnen de kortste keren veroverde basketbal de harten van de de stadjers.

Het succes van Donar was evenwel niet voor de volleyballers en handballers weggelegd. Integendeel zefs. Lycurgus, dat inmiddels de hegemonie van Oranje Nassau had overgenomen, heeft het destijds wel even geprobeerd maar kon het financieel in de nieuwe sporttempel niet bolwerken. Lycurgus bleek geen magneet voor meer dan 500 toeschouwers. En de handbalclubs hebben de Evenementenhal niet eens van binnen gezien, de huurprijs was niet één, maar zeker twee bruggen te ver. In hun kleine ongezellige behuizingen leidde uiteindelijke zelfs tot de ondergang van het handbal in de stad, nota bene de plaats waar handbal in de jaren twintig van de vorige eeuw nationaal wortel schoot.

En zo werd de Evenementenhal al gauw de basketbaltempel van Nederland genoemd. Maar met alleen Donar als sportieve klant was de directie van het Martinihal niet tevreden. Niet rendabel genoeg. Met als gevolg plannen voor een ombouw van de sporthal naar een theater. En waar de cultuur zich meldt, kan de sport het schudden in Groningen. Gelukkig voor Donar was er nog wel ruimte voor een alternatief, de parkeerplaats tussen het grote expositiehal en het nieuwe theater. Een dak erop en klaar was Kees. Weg met al dat blik op wielen en welkom Donar.

In eerste instantie leverde dat veel gemor op, want de geweldige sfeer van de Evenementenhal was er ver te zoeken. Het leek meer op een vliegtuighangar dan op een sportaccommodatie. Echter, toen Donar zich meer en meer als nationale topclub ontpopte, speelde de toenmalige directie daar passend op in. De hangar kreeg stukje bij beetje het aureool van een ware topsportlocatie, goed voor ruim 4400 toeschouwers. Daar kreeg het ook een nieuwe naam; Martinihal werd MartiniPlaza. Klinkt wat sjieker.

Donar steeg er naar grote hoogte, ook in Europese toernooien. Het verdoezelde geruime tijd de problemen op de achtergrond. Zo kwam het jaarlijkse het speelschema meer en meer in het gedrang door andere activiteiten, hoewel directeur Willem de Kok de middenhal doopte in House of Donar. Daar bleef het niet bij. De huurprijs werd voor Donar ook meer en meer een probleem. Gevraagd naar wat Donar per wedstrijd kwijt is aan MartiniPlaza, waken beide partijen voor openheid in deze. Maar het is een loodzware post op de begroting van de basketbaltrots van het Noorden.

Een alternatief voor Donar was er echter niet in de stad. Daar werd wel – door buitenstaanders – naar gezocht, een hal zonder gemeentelijke bemoeienis en waar Donar ook met horeca geld kon verdienen. Er was wel contact met een  investeerder voor een sportpaleis bij het Van der Valk-hotel, op grondgebied van de gemeente Tynaarlo. Maar dat werd nooit serieus.

Ondertussen was MartiniPlaza Donar liever kwijt dan rijk, vooral nadat de club weer eens in een faillissement was beland door een knoeiende penningmeester. Donar kreeg steeds minder privileges, met name als de jaaragenda ingevuld moest worden. Aan alleen al reserveringen hangt ook een stevig prijskaartje. Het heeft er inmiddels toe geleid dat Donar moet afzien van deelname aan – zeg maar – de Conference Cup van het Europese basketbal en haar toevlucht moet nemen naar een vierderangs toernooi van de regiogebonden ENLB, met als bijkomend voordeel meer flexibiliteit wat speeldatat betreft en minder reiskosten.

En jawel, op termijn moet Donar ook MartiniPlaza verlaten. Op Kardinge staat een nieuw onderkomen op de rol, overigens niet alleen voor Donar maar ook voor Lycurgus. Dat kan nog wel een jaartje of vijf, zes duren, maar dat betekent wel dat Donar vooralsnog haar Europese ambities op een laag pitje moet zetten. En wellicht ook na de geplande overgang naar Kardinge, waar de gemeente een bouwwerk voor maximaal 3600 toeschouwers in de aanbieding heeft. Dat betekent een verdere krimp in plaats van groei. Want in MartiniPlaza is ruimte voor 4500 m/v. Die zullen er weer regelmatig zitten als Donar haar dominante plek in Nederland heeft heroverd. Want die potentie heeft Donar. En wellicht nog meer.

Daarbij hoort een topaccommodatie van 5000 m/v met alle bijbehorende supplementen, zoals een sfeervolle businesslounge en zelfs een aantal skyboxen. En die kan dan het best worden gerealiseerd in het zuidelijke stationsgebied nu daar de peperdure popzaal is gesneuveld. Want waarom worden sportaccommodaties toch altijd verbannen naar de randen van de stad? Donar zou, in combinatie met een sportmuseum, een geweldige binnenstadattractie kunnen zijn. Zoals het Madison Square Garden in New York. Dat zijn de ingrediënten die Donar nodig heeft om zich ooit eens te kunnen kwalificeren voor de Champions League, zoals dat in onze Duitse zusterstad Oldenburg ook is gebeurd.

Donar, én de stad Groningen, verdienen zo’n ’tent’.

(Dick Heuvelman is journalist en publicist in Groningen)

(Illustratie: ChatGPT, op verzoek GIC).