nieuws

21 sep 2009, 08:08

Rehwinkel start als burgemeester van Groningen: “Samenwerking met respect voor anderen''

Peter Rehwinkel is vrijdagavond in cultureel centrum De Oosterpoort geïnstalleerd als burgemeester van Groningen. In zijn installatiespeech refereerde hij op nostalgische wijze aan zijn jeugd en studietijd in Groningen en het gevoel van thuiskomen dat hij ervaart bij zijn terugkeer. Ook ging hij in op de uitdagingen van het burgemeesterschap en de relatie tussen de lokale overheid en de burgers. Samenwerking met respect voor de ander is volgens hem daarin het devies: “Tegen de inwoners zeg ik: ‘Ik acht u hoog, zeker hoog genoeg om ons tegen te spreken, maar houdt u zichzelf ook hoog.” Lees hier de complete tekst van de acceptatiespeech.

Dit katern wordt mede mogelijk gemaakt door:

"Leden van de gemeenteraad,
Dames en heren aanwezigen, soms van ver gekomen, ik stel uw aanwezigheid zeer op prijs. Dit geldt zeker voor Jair Tanasale, die kort geleden meedeed bij een prikactie in de wijk De Hoogte; daarbij werd op één ochtend bijna 28 kilo zwerfvuil verzameld,

‘ In stad leeft elk op zien allaintjes,
Gain ain, die zien buurman goud kin’
(In de stad leeft ieder op zich,
Niemand, die zijn buurman goed kent):
het zijn twee regels uit een gedicht van Simon van Hasselt.
Is dat de stad waarnaar ik zo graag terugkeer?
Dertigduizend kinderen op zijn minst, die net als ik het eerste levenslicht zagen in Huize Tavenier, moeten zich verbonden voelen en betrokken zijn bij hun geboortestad.
En toch denkt Jair dat een dag na de prikactie de straten alweer een stuk minder schoon zijn. In de krant las ik z’n uitspraak: ‘Ik zou weleens willen weten hoe die mensen in het leven staan. Als ze hun omgeving zo verwaarlozen, zullen ze zichzelf ook wel heel waardeloos vinden.’

Ik kom naar Groningen, weest u gerust, ik bén in Groningen, ik bén thuisgekomen, zo voelt het!
Ik ervaar ook nu de verhitte opwinding van de rossige puber, die – toen hij niet meer in Stad woonde – met de gele Gadobus lijn 59 op weg ging naar een etentje van alleen hem… en zijn favoriete lerares. Ondertussen denk ik een stuk wijzer te zijn geworden dan de jongeman, met mooie academische titels op zak, die aan het eind van zijn vrije weekend de zonovergoten Vismarkt verruilde voor een reis door de donkere polder op weg naar het toen nog weinig kleurige Den Haag – want daar was werk en moest hij dus wonen.
Ik hou van de stad Groningen, ben blij dat ik weer thuis ben en zeg u tegen deze achtergrond graag het volgende.

Uit volle overtuiging en met tomeloos veel energie word ik uw burgemeester.
Ik dank de gemeenteraad voor zijn vertrouwen. Het is een wederzijds vertrouwen, u zult mij straks nog eens over dergelijk vertrouwen horen spreken. Van zo’n raad wil je de voorzitter zijn: ú weet hoe de procedure tot de benoeming van een burgemeester correct moet worden vormgegeven. Als je er samen uit bent de gemeenteraadsvergadering een aantal dagen vervroegen, omdat anders de kans op lekken groot is. U koos in unanimiteit voor me, een hartelijker welkom was niet mogelijk. Het bevestigde voor mij het beeld van een gemeenteraad, waarbinnen stelling wordt genomen maar waarbinnen ook verantwoordelijkheidszin en plezierige verhoudingen bestaan.
De voorzitter van de vertrouwenscommissie, Arjan de Rooij, noemde me ‘geen hardcore PvdA-er’. Het leek me dat hij daarbij meer een compliment aan mij dan aan mijn partij uitbracht. Ik hoop voor allen in de raad een gezaghebbend voorzitter te zullen zijn. Graag neem ik het initiatief om u in de komende weken beter persoonlijk te leren kennen.

Soms wordt onvoldoende beseft hoe belangrijk het is voor overheidsorganen om verantwoordelijkheid te tonen. De gemeentelijke overheid beschikt niet meer over het vanzelfsprekende gezag, dat er van oudsher was. De historische atlas die van de stad Groningen is verschenen, spreekt over een toenemende weerstand in de afgelopen jaren van de bevolking tegen het door de overheid gevoerde beleid. Die is vooral te merken op de plaats waar de stad ook sterk zichzelf is gebleven, de Grote Markt. Zo sneuvelde in een referendum de door de gemeente voorgestelde parkeergarage. Tien jaar eerder koos de bevolking uitdrukkelijk voor een historiserende uitbreiding van het stadhuis, waarmee de Waagstraat opnieuw op de kaart verscheen. Inmiddels werkt de gemeente aan herstel van de vooroorlogse rooilijn aan de oostkant van de Markt.

Dat de overheid aan gezag heeft ingeboet, bezie ik zeker niet alleen negatief. Verhoging van het ontwikkelingspeil van de bevolking en mogelijkheid tot inspraak, die ook kan uitmonden in tegenspraak, zijn evenzeer oorzaak. Maar ‘gezag’ houdt verband met ‘zeggen’, ‘iets te zeggen hebben’. Gezag moet inhoud hebben en zich richten op de vervulling van het algemeen belang.

Een oud-wethouder van deze stad heeft eens gezegd: ‘Bestuurders moeten zich als regeerders durven opstellen.’ In zojuist geschetste zin ben ik dat met hem eens. Politiek mag als ambacht worden beschouwd – dat veel liever dan als spel, of nog erger als oorlog – maar politiek zou toch vooral het verwezenlijken van een missie moeten zijn. Politiek niet als oorlog, maar als de gedroomde vrede in zekere zin. Afnemend overheidsgezag zou de vraag aan de orde moeten stellen of de ‘missie’ tegenwoordig niet teveel wordt ‘gemist’.

Diezelfde oud-wethouder had het ook over Groningen als moderne-regentenstad. Daar gaan hij en ik toch nog uiteen. Een stad met regeerders, akkoord, maar zeker geen regentenstad. En bepaald ook geen Groningen met regenten en voor het overige slechts ‘onderdanen’. Daarvoor is in de eerste plaats de volksaard van de Groningers te eigenzinnig. Als bestuurder kijk ik ook principieel anders tegen de moderne burger aan. Van mij zult u geen uitspraken tegenkomen, zoals me is bijgebleven van een andere wethouder – ik noem trouwens geen namen, ook niet van welke partij deze oud-wethouders zijn, bovendien: binnen die partij kunnen ze wel tegen een stootje! - : ‘Ik vond dat je besluiten over dit soort (belangrijke, JPR) stedelijke voorzieningen in de raad moest nemen. Daar moet je niet met iedereen over in debat gaan.’ Niet met iedereen in debat gaan? Met een goed verhaal moet je dat juist willen!

Maar tegen die 186.000 burgers in deze stad zeg ik: ‘Ik verwacht ook iets van u.’ U moet zich realiseren tot een gemeenschap van mensen te behoren. Daar schort het wel eens aan. Niet voor niets heb ik Jair vandaag als speciale gast uitgenodigd. Ik vraag oog van u, … nee, Jair vraagt oog van u voor de omgeving. Het kan niet zo zijn dat de overheid en de woningbouwcorporaties miljoenen in Krachtwijken investeren, Jair en buurtbewoners in dat kader prikacties uitvoeren en het zwerfvuil de dag erop weer opgehoopt ligt. In zo’n omgeving wil je niet wonen, zo waardeloos mag men zich in Groningen niet voelen. Tegen de inwoners zeg ik dus: ‘Ik acht u hoog, zeker hoog genoeg om ons tegen te spreken, maar houdt u zichzelf ook hoog.’

Oog voor de omgeving moet er zijn, in de zin van aandacht voor het algemeen belang. De belangen van andere Groningers samen, en misschien wel het belang van één andere Groninger, kan groter zijn dan dat van u. Het gaat niet alleen om úw achtertuin, het gaat ook om wat er over de heg ligt. Hele wijken trekken zich tegenwoordig terug achter meer dan manshoge schuttingen, maar eenmaal buiten de voordeur moeten we toch op tijd op ons werk zijn, willen we dat de kinderen een boek bij de bibliotheek kunnen lenen en trappen we liever niet in de poep van andermans hond. Voor het terrein buiten die voordeur en onze schutting is de overheid dan verantwoordelijk. ‘De vraag dringt zich op of de geëmancipeerde burger niet vooral zichzelf wil besturen. Een zekere dubbele moraal kan hem in onze landen in ieder geval niet worden ontzegd. Hij reserveert maximale ruimte voor eigen afwegingen, maar parkeert wat hij niet zelf kan beslissen ongegeneerd in het publieke domein.’

In de laatste zinnen is inmiddels aan het woord Jacques Wallage, in zijn pas verschenen boek ‘Plaats van bestemming’. Uw burgemeester, die per 1 juli vertrok. Meer dan tien jaar lang vervulde hij de functie die het meest voldoening in zijn werkzame leven gaf. Bijna 25 jaar geleden leerde ik hem persoonlijk kennen.

Jacques, ik was stagiaire van jou als Tweede-Kamerlid, verkeerde in je nabijheid op het ministerie van Onderwijs en jij was míjn fractievoorzitter in de Tweede Kamer. Ik heb goed met je gewerkt, veel van je geleerd, maar het meest dierbaar is de wijze waarop je de stad aan me overdraagt. Nu zie ik een andere Jacques dan 25 jaar geleden. Een man die zijn plaats van bestemming mocht vinden, deze niet toch weer als plaats van vertrek koos, maar wel kón vertrekken. Omdat ik weet hoe groot de waardering vanuit de stad is, is het me een eer jou te mogen danken voor meer dan tien jaar burgemeesterschap. Jacques en Fransien, dank jullie wel!

Dank zeg ik ook Frank de Vries. Tweeëneenhalve maand nam hij het burgemeesterschap waar. Bij moderne burgers hoort een bestuurder van deze tijd. Aan Frank is de stad – en nog zoveel meer – wel toevertrouwd. Ik verheug me erop met hem en de andere leden van het college te gaan samenwerken.

Het gemeentebestuur van Groningen, dames en heren, én zijn inwoners staan voor de taak om de stad leefbaar te maken en te houden. Geen gezag om het gezag. Categorische jaknikkers mogen mij uit de weg gaan, maar ook vaste neezeggers. De burger moet bij de overheid gehoor vinden. Echter dient er het besef te zijn dat de overheid afwegingen maakt in het algemeen belang. Het komt aan op wederzijds vertrouwen. Mutua Fides! Groningers zien dit staan op de gevel van studentensociëteit Vindicat aan de oostzijde van de Grote Markt. Dus mijn boodschap valt niet zo moeilijk te onthouden! Ik wil, voor zover dat in mijn macht ligt, maatschappelijke onvrede in deze stad voorkomen. Hopelijk zal dat in politiek opzicht – en dus ook bij verkiezingen in de komende jaren – zichtbaar zijn. Gezamenlijk staan we voor de taak om deze stad niet naar de knoppen te laten helpen door politici die alleen maar maatschappelijke onvrede willen exploiteren! Juist in een tijd van economische crisis verwacht ik dit gevoel van verantwoordelijkheid.

Gezag kan alleen maar functioneren als een gesprek tot stand komt. Als nieuwe burgemeester ga ik dat gesprek op gang brengen, gaande houden en voorzitten. Dat zal ik natuurlijk doen in college- en raadsvergaderingen, maar zeker ook in directe contacten met de burgers. U mag mij als een soort ‘syndicus’ beschouwen. Dat was vroeger de functionaris die de contacten tussen de Ommelander Staten en de Staten van Stad en Lande gaande moest houden. ‘Syndicus’ betekent letterlijk ‘samenspreker’. Het zal mijn motto zijn: ‘Samen in gesprek”!

Daarom wilde ik zo graag dat iedereen bij deze installatie aanwezig kon zijn. U kunt met de vertegenwoordigers van de Groninger politiek in gesprek. Dit is ook mogelijk met de vertegenwoordigers van de 24 andere gemeenten in de provincie. Ik waardeer bijzonder dat de collega-burgemeesters de procedure tot mijn benoeming als korpsbeheerder in gang hebben gezet. Mijn echtgenoot Michel en ik zijn van plan bij de andere gemeenten evenzeer onze betrokkenheid te tonen als in de stad zelf.

Dames en heren, zal ik maar weer eens aan het werk gaan, want ik was eerlijk gezegd al begonnen. Er zullen vast en zeker uitdagingen zijn waarvoor ik kom te staan en ook dan hoop ik op uw steun te kunnen rekenen. Laten we samen onze schouders zetten onder ‘Een stad mit gainain op zien allaintjes”!"