Economie

Nederlandse bedrijfselite verreweg het meest internationaal van Europa, aldus RUG onderzoekers

Rondom de overname van ABN-AMRO dook het ‘nationale economische belang’ ineens op in de discussies. De overname door niet-Nederlandse bedrijven van een nationaal icoon riep allerlei emoties op. “De belangrijkste vraag is echter wat een bedrijf nog Nederlands maakt”, zegt dr. Kees van Veen van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Rijksuniversiteit Groningen. “Gaat het om de aandeelhouders, of ook om de bestuurlijke top?” Van Veen onderzoekt de samenstelling van de Raden van Bestuur en Raden van Commissarissen van grote bedrijven in Europa en constateert onder andere dat Nederland hard voorop loopt met een toenemend aantal buitenlanders aan de directietafels.


Leestijd: 3 minuten

Wanneer verkeert een bedrijf in nationale handen? In Nederland is de rol van aandeelhouders versterkt en met het wegnemen van allerlei beschermingsconstructies is het Nederlandse aandelenpakket gewoon onderdeel geworden van het mondiale kapitalistische systeem. Daar is niets Nederlands meer aan. In de top zijn echter nog twee andere relevante partijen aanwezig: de Raad van Commissarissen en de Raad van Bestuur.

Helft niet-Nederlands
Nederland is, na Luxemburg (met erg weinig grote ondernemingen) het land met verreweg de meest geïnternationaliseerde Raden van Bestuur. Dat blijkt uit Van Veens onderzoek bij 363 grote ondernemingen in vijftien Europese landen.

“Het is ontnuchterend en geeft een nieuwe kijk op de discussie”, zegt hij. “Bijna de helft van de leden van de Raden van Bestuur van de 25 AEX bedrijven heeft een niet-Nederlandse nationaliteit. Het verschil met de nummer 2, het Verenigd Koninkrijk, is substantieel: namelijk twee maal zoveel. En na Duitsland en België beginnen de aantallen snel te dalen tot aan 2,5 procent in Spanje. De gegevens die we momenteel over de Raden van Commissarissen verzamelen laten een soortgelijke trend zien.”

Een land vol dependances
Het lijkt niet waarschijnlijk dat het tij wordt gekeerd. Van Veen: “Het is de vraag of dit erg is. Zolang dit aspect van het globaliseringsproces onontkoombaar en mondiaal is, maakt het op de lange duur niet veel uit wie precies welk bedrijf bestuurt. Dan zijn we gewoon even de koplopers.” Toch gaat Nederland wel heel erg snel, vergeleken met alle andere landen. Mochten in de toekomst meer gesloten bedrijfselites uit andere landen stelselmatig machtsposities naar zich toetrekken, of anderszins nationale belangen weer stevig opspelen, dan was onze huidige koploperspositie wellicht minder raadzaam, volgens Van Veen. “Dan zijn we een land vol mooie dependances, met weinig toegang tot de economische machtscentra.”

Mondiaal ook eenzame koploper
Op mondiaal niveau blijkt Nederland ook voorop te lopen: een internationaal onderzoek onder de tachtig grootste multinationale ondernemingen onthult dat het aantal buitenlanders in de diverse raden de laatste vijftien jaar toeneemt. Van Veen: “Maar het gaat vaak om kleine aantallen per raad en zeker niet om de snelle veranderingen die in Nederland hebben plaatsgevonden.” Het blijkt dat in Aziatische bedrijven vrijwel geen buitenlanders zitting hebben in de raden en in Noord-Amerika slechts marginaal. Europa spant duidelijk de kroon, en daarbinnen is Nederland de eenzame koploper.

Oorzaken
Op zoek naar de oorzaak blijken diverse factoren een rol te spelen, zowel op bedrijfsniveau als op landenniveau. Bedrijven verschillen bijvoorbeeld in de mate waarin ze actief zijn in het buitenland. “Dat is inderdaad van belang”, zegt Van Veen, “maar het effect is lang niet zo sterk als men in eerste instantie zou verwachten. Ook hoe lang het betreffende land lid is van de Europese Unie maakt bijvoorbeeld verschil, maar opnieuw slechts marginaal.”

Erg belangrijk blijken vooral grensoverschrijdende samenwerkingsrelaties zoals vroeger bij SHELL en Unilever, en meer recentelijk fusies als bij CORUS en Air France-KLM. “Deze bedrijven laten vervolgens een ingewikkeld en langdurig intern spel zien waarin nationaliteit van managers en commissarissen een rol speelt, maar zeer wisselende uitkomsten kent”, aldus Van Veen. “Voor sommige bedrijven is het een startpunt voor een echt internationale samenstelling, voor andere slechts een tijdelijk oprisping om vervolgens terug te vallen op managers uit het land van origine.”