nieuws

12 dec 2002, 00:12

‘Rechter moet rekening houden met karakter religieuze genootschappen’

De rechter in Nederland moet rekening houden met het karakter van religieuze genootschappen. Wanneer de burgerlijke rechter een oordeel moet vellen over conflicten binnen een kerk, is het onverstandig wanneer hij de normen die gelden voor het normale maatschappelijke verkeer ook zonder meer toepast op het kerkelijk leven.

Dit katern wordt mede mogelijk gemaakt door:

Dat stelt de Groningse juriste Betty Santing – Wubs in een proefschrift gewijd aan de rol van de burgerlijke rechter bij kerkelijke geschillen. ‘Kerken in geding’, is de titel van haar onderzoek waarop ze 19 december promoveert aan de Rijksuniversiteit Groningen.
In Nederland komt het regelmatig voor dat de burgerlijke rechter ingeschakeld wordt om verloop en uitkomst van kerkelijke geschillen te toetsen. Dat komt voor bij kerkscheuringen wanneer ruziënde partijen elkaar het eigendom van kerkelijke goederen betwisten. Of wanneer individuele kerkleden klachten hebben over functionarissen van de kerk.
Santing onderzocht hoe de burgerlijke rechter kerkelijke geschillen dient te toetsen. Ze richtte zich in haar onderzoek niet alleen op de ‘traditionele’ kerkgenootschappen, maar ook op de in Nederland nieuwe religieuze kerkgenootschappen, met name moskeeorganisaties. In haar proefschrift pleit ze voor een genuanceerde opstelling van rechters.
Volgens Santing horen bij het oplossen van conflicten tussen of binnen kerken in Nederland de fundamentele beginselen van het burgerlijk procesrecht te gelden. ‘Maar in zijn oordelen en beslissingen hoort de rechter er wel rekening mee te houden dat een kerkgenootschap toch een bijzondere subcultuur is. De rechter kan niet alle maatschappelijk aanvaarde normen zonder meer op kerken toepassen. Als er een kerkgenootschap is waar men anders denkt over homoseksualiteit of discriminatie van de vrouw, dan kan de rechter dat niet zonder meer met de huidige maatschappelijke normen beoordelen. Hij zal altijd zorgvuldig een afweging moeten maken tussen de vrijheid van godsdienst en het anti-discriminatiebeginsel’, aldus mr. Santing.
;