Terwijl de media sombere berichten brengen over de kwakkelende Nederlandse economie, de recessie en het gebrek aan koopkracht en ondernemingslust in Nederland, is Groningen bezig het ene spraakmakende project na het ander van de grond te tillen
Hans de Preter
Met de vakantie in het verschiet kunnen de Groningse bestuurders met een redelijk voldaan gevoel de koffers gaan pakken. Want wat je ook van de spraakmakende projecten in Groningen kunt denken: de Groningse politiek kan in elk geval geen Jan Salie-geest worden verweten.
Groningen heeft het traditiegetrouw moeten hebben van opmerkelijke projecten en het afgelopen jaar is men daar vol vaart mee verder gegaan: zie de Grote Markt, zie Meerstad en zie de Blauwe Stad.
Niet omdat politici hier megalomaan zouden zijn en elk hun eigen standbeeld zouden willen achterlaten – want dan zou Groningen onafgebroken grootheidswaanzinnige politici hebben gehad, veertig jaar achtereen en van verschillende partijen. Maar wel omdat Groningen traditiegetrouw een hogere werkloosheid heeft dan de rest van Nederland. Bovendien ligt Groningen, vanuit de Randstad beschouwd, nogal perifeer, en dan lukt het je alleen om met opmerkelijke prestaties aandacht te trekken, toeristen te lokken en de economie impulsen te geven.
De Groninger gemeenteraad moet deze week nog beslissen over de wijk Meerstad. Ook dat is een opmerkelijk project, dat een investering vergt van driehonderd miljoen euro voor de komende twintig jaar. Het project is uitzonderlijk omdat er gebouwd gaat worden aan het water. Maar vooral ook betreft het een project dat van de grond getild gaat worden in eendrachtige samenwerking tussen politiek en bedrijfsleven. Hoewel, eendrachtig: van een leien dakje gaat het beslist niet en in Groningen hebben ze heel wat listen moeten verzinnen om de samenwerking werkbaar ter houden. Een van de problemen was dat Twentse bouwers stukken grond in handen hebben en meenden dat ze daardoor opdrachten voor de bouw konden bedingen, zonder dat ze al te veel risico zouden lopen.
Gemeente en provincie Groningen zijn er in geslaagd om deze landerijen letterlijk in de planontwikkeling te omzeilen, waardoor de Twentenaren buiten spel zijn komen te staan en de huizen rond hun gronden zullen worden gebouwd. Dat is misschien sneu voor de Twentenaren, maar ze hadden net als de andere bouwers van begin af aan mee kunnen doen in de verdeling van de lusten, de lasten en de risico’s. Daar komt bij dat de Groningse overheid zeer terecht probeert om kwalitatief aanvaardbare architectuur te krijgen in plaats van doorsnee witte-schimmel wijken van projectontwikkelaars. Daar zou Groningen pas echt lelijk van worden en misschien wel voor honderd jaar tegen middelmatigheid aan moeten staren.
Is dit betoog nu een lofzang op de Groninger politiek? Uitsluitend in die zin dat Groningen er gelukkig nog steeds voor blijft kiezen om ambities te koesteren en lef te hebben. Dat is niet alleen de verdienste van enkele toonaangevende wethouders en gedeputeerden, maar het is een beleid dat hier door alle grote partijen wordt gedragen. Ook voor fracties die deze uitgangspunten delen betekent dat niet dat ze alleen nog hoeven te fungeren als applausmachine. Integendeel: de uitgestippelde koers kan dan wel aantrekkelijk zijn, er kan van alles mis gaan. En ook moet er voor gewaakt worden dat de zaak financieel volstrekt onder controle blijft en dat de zeer ambitieuze doelstellingen worden gehaald.
Ook met de Grote Markt is er dankzij verstandig opereren van o.m. wethouder Smink, de steun van Karin Dekker, burgemeester Wallage en een burgercomité voor gezorgd dat latente weerzin van de Groningse bevolking tegen een nog grotendeels onduidelijk project niet opnieuw tot actieve tegenstand kon worden opgeklopt.
Maar ook voor de Grote Markt geldt: de teerling is geworpen, nu moet de rivier de Rubicon worden overgestoken en begint het echte werk pas. En ook hier geldt: Groningen mag dan wel ambitieus zijn: de Grote Markt moet koste wat koste beter, en vooral ook mooier worden.
Wat ambitie betreft zou Den Haag wat van Groningen kunnen leren. Zeker nu de overheidsuitgaven landelijk op orde zijn, het begrotingstekort onder controle en pijnlijke beslissingen zijn genomen, is er behoefte aan nieuwe activiteiten die inspirerend kunnen werken. Want in Nederland heerst een matte stemming. Misschien nog niet zozeer bij de politiek als wel bij de bevolking. Toen Parijs en Londen hard streden voor een nominatie voor de Olympische Spelen, bleek uit onderzoek dat veruit de meeste Nederlanders dat maar allemaal maar onzin vinden en dergelijke projecten “veel te duur” voor Nederland vinden.
En toch kunnen dergelijke grote projecten nu juist goed als noodzakelijke uitdaging aan de inventiviteit en ondernemingszin van een land, zoals we dat in het verleden hadden met de Deltawerken of de Afsluitdijk.
Een suggestie voor een interessant project als oppepper voor de Nederlandse economie zouden we vanuit Groningen Den Haag misschien kunnen meegeven: een magneetzweeftrein. Niet van Amsterdam naar Groningen – zoals Tweede Kamerleden denken dat de bedoeling zou zijn- maar als onderdeel van een ultramoderne verbinding van Amsterdam via Friesland en Groningen naar Hamburg, Berlijn en Scandinavie en zo naar de rest van Europa. Je hoeft er heus geen briljant econoom voor te zijn om te bedenken dat een dergelijk project wel eens een van de katalysatoren zou kunnen zijn waar de economie momenteel zo veel behoefte aan heeft.