Je kunt een stad-Groninger bijna niet harder op de ziel trappen dan te beweren dat de stad waar hij vandaan komt een leuke provinciehoofdstad is, ‘leuker dan Almelo of Apeldoorn, hoor!’.
Hans de Preter
Groningers zien hun eigen stad namelijk niet als provinciestad en daar hebben ze ook gelijk in. Want daarvoor gebeurt er veel te veel in de universiteitsstad Groningen, een zeer jonge stad waar altijd wel nieuw talent naar voren komt.
Maar Groningen is natuurlijk geen Amsterdam, en hoort in grootte zelfs niet eens bij de top vijf van Nederlandse steden. Bovendien ligt Groningen nogal ver verwijderd van de Randstad en niet dicht bij andere grotere steden in het buitenland, zoals bijvoorbeeld Maastricht.
Voor het afgelegen Groningen is het van zeer groot belang om landelijk te boek te staan als een jeugdige en dynamische stad waar het niet alleen goed wonen, werken en ontspannen is, maar vooral ook een stad waar ondernemers graag investeren. En dat is uiteindelijk noodzakelijk vanwege de strijd tegen de nog steeds relatief hoge werkloosheid.
Vandaar dus dat het gemeentebestuur al decennia lang probeert om Groningen ook cultureel op de kaart te zetten en te tonen dat Groningen beslist geen ingeslapen stadje is. Dat het gemeentebestuur daar telkens naar streeft – zie A star is born, zie het Groninger Museum, zie Blue Moon – is uiteindelijk dan ook vooral een economisch belang.
Daarom zal het gemeentebestuur ongetwijfeld geschrokken zijn van de kritiek van Kees van Twist, directeur van het Groninger Museum. Volgens hem is Groningen beslist niet ambitieus genoeg. Dat blijkt dan uit het feit dat Groningen niet echt kiest voor nieuwe grootschalige projecten, waar dan ook fors in geïnvesteerd wordt. Dit naar het voorbeeld van Tilburg waar ze niet twee miljoen investeren in een concertzaal, maar wel honderd miljoen. Volgens Van Twist moet Groningen dan ook brutaal blijven kiezen voor grote projecten en de ambitie hebben om op nationaal niveau te scoren.
En de kritiek van een van de leden van het Gronings-Berlijnse popduo Arling & Cameron kwam eigenlijk op hetzelfde neer. Volgens Gerry Arling is Groningen ‘ een plaats waar het heel gemakkelijk is om niets te doen en waar mensen die wel iets doen met argwaan worden bekeken’ ‘Het is geen inspirerende stad’, aldus Arling, die daar als troost aan toevoegt dat Amsterdam in zijn ogen helemaal niks is en dat het in Groningen in elk geval wel prettig toeven is.
De vraag is of deze kritiek wel terecht is. Het antwoord daarop luidt : ‘nee!’. Niet omdat wij niet tegen kritiek kunnen. Maar Blue Moon is er getuige van dat Groningen wel degelijk initiatieven neemt en de nek uitsteekt. Dat bleek ook bij Via Dorkwerd. En op architectuur-gebied werd The Wall House in gebruik genomen, een villa die volgens architectuurkenners wereldberoemd zal worden.
Maar, hoewel de kritiek van de museumdirecteur en de popmuzikant dan nogal overdreven lijkt, deze moet wel serieus genomen worden. Het is uitstekend dat er hier af en toe iemand opstaat en zegt dat Groningen moet oppassen niet te sloom te worden. Want met Blue Moon stak Groningen haar nek weliswaar uit, een groot succes is het niet geworden.
De les van Blue Moon moet dan ook zijn dat Groningen slimmer aan de weg moet timmeren, met spraakmakende projecten, maar aanzienlijk minder ingewikkeld. Het zou in elk geval doodzonde zijn wanneer Groningen door de tegenvallende resultaten geen gedurfde initiatieven meer zou nemen. Groningen moet vooral ambitieus blijven.